Executieve functies en EDI: zo ondersteun je leerlingen tijdens je instructie
Je hebt je les goed voorbereid. Het lesdoel is duidelijk, je doet de stappen voor en je controleert regelmatig of je leerlingen de uitleg begrijpen. Toch lukt het niet iedereen om mee te doen. De ene leerling raakt tijdens de instructie de draad kwijt. Een ander roept antwoorden zonder na te denken. En zodra de leerlingen zelfstandig aan het werk mogen, blijven er een paar zitten zonder te beginnen. Misschien denk je dat deze leerlingen niet goed opletten, onvoldoende gemotiveerd zijn of meer moeten oefenen. Maar er kan ook iets anders spelen.
Tijdens iedere fase van EDI (Expliciete Directe Instructie) doen leerlingen een beroep op verschillende executieve functies.
Als je weet welke vaardigheden een rol spelen, kun je leerlingen gerichter ondersteunen.
Daarom maakte ik een handig schema waarin ik executieve functies en EDI met elkaar verbind. Je ziet per lesfase welke executieve functies belangrijk zijn, welk gedrag je mogelijk tegenkomt en wat je als leerkracht kunt doen.
Wat hebben executieve functies met EDI te maken?
Executieve functies zijn denk- en regelvaardigheden die leerlingen helpen om hun gedrag, gedachten en emoties te sturen. Denk bijvoorbeeld aan:
- Werkgeheugen: informatie onthouden en gebruiken terwijl je met een taak bezig bent.
- Reactie-inhibitie: een eerste reactie kunnen tegenhouden en nadenken voordat je iets doet.
- Taakinitiatie: zelfstandig aan een taak beginnen.
- Volgehouden aandacht: de aandacht bij een taak houden.
- Metacognitie: nadenken over je eigen denken en leren.
- Planning: bedenken welke stappen nodig zijn om een doel te bereiken.
Tijdens een EDI-les gebruiken leerlingen deze vaardigheden voortdurend.
Neem bijvoorbeeld een rekenles waarin je leerlingen leert om breuken gelijknamig te maken. Een leerling moet naar je uitleg luisteren, de verschillende stappen onthouden, nadenken over de aanpak en uiteindelijk zelfstandig aan het werk gaan. Dat vraagt niet alleen om rekenkennis, maar ook om verschillende executieve functies.
Een leerling kan de leerstof begrijpen en toch moeite hebben om de opdracht uit te voeren.
Dat onderscheid is belangrijk. Want als je weet waar een leerling vastloopt, kun je beter bepalen welke ondersteuning nodig is.
Executieve functies tijdens de Expliciete Directe Instructie
In mijn schema Executieve functies & EDI heb ik zeven onderdelen van een EDI-les uitgewerkt.
Hieronder lees je wat er tijdens deze onderdelen van leerlingen gevraagd wordt en hoe je daarop kunt inspelen.
1. Lesdoel benoemen: metacognitie en werkgeheugen
Je begint de les met het lesdoel. Je vertelt wat leerlingen gaan leren en waarom dat belangrijk is. Toch betekent het horen of lezen van een lesdoel niet automatisch dat leerlingen begrijpen wat ze gaan leren. Sommige leerlingen weten na een paar minuten niet meer wat het doel was. Anderen vragen: “Waarom moeten we dit eigenlijk leren?” Bij deze fase spelen vooral metacognitie en werkgeheugen een rol.
Wat kun je doen?
Laat leerlingen het lesdoel in hun eigen woorden vertellen. Gebruik eventueel een pictogram of doelenkaartje om het doel zichtbaar te houden. Leg ook kort uit waarom het doel nuttig is. Bijvoorbeeld: “Vandaag leer je hoe je breuken gelijknamig maakt. Dat heb je nodig om straks breuken met elkaar te kunnen vergelijken.” Zo help je leerlingen om het doel te begrijpen en tijdens de les vast te houden.
2. Instructie en voordoen: werkgeheugen en volgehouden aandacht
Tijdens het voordoen luisteren en kijken leerlingen naar jouw uitleg. Ze moeten nieuwe informatie verwerken, eerdere stappen onthouden en verbanden leggen. Dat vraagt veel van hun werkgeheugen en volgehouden aandacht. Misschien herken je een leerling die halverwege de uitleg afhaakt. Of een leerling die de eerste stap nog weet, maar de volgende stappen niet meer kan reproduceren. Dat betekent niet automatisch dat deze leerling niet heeft opgelet.
Wat kun je doen?
Verdeel je uitleg in korte, duidelijke stappen. Maak je denkproces zichtbaar door hardop te vertellen wat je doet en waarom je dat doet. Ondersteun de uitleg met afbeeldingen, een stappenplan of een voorbeeld op het bord. Controleer tussendoor of leerlingen de uitleg nog volgen. Je kunt bijvoorbeeld vragen: “Welke stap heb ik net gezet?” of “Wat moet ik nu doen?” Zo verklein je de hoeveelheid informatie die leerlingen tegelijk moeten onthouden.
3. Begeleid inoefenen: reactie-inhibitie en doelgericht gedrag
Na het voordoen oefenen leerlingen samen met jou. Tijdens deze fase zie je soms leerlingen die meteen een antwoord roepen. Ze beginnen al te rekenen voordat ze goed hebben gekeken wat de opdracht vraagt. Andere leerlingen gokken een antwoord zonder hun denkstappen te controleren. Hier kunnen reactie-inhibitie en doelgericht gedrag een rol spelen.
Wat kun je doen?
Laat leerlingen eerst nadenken voordat ze een antwoord geven. Gebruik bijvoorbeeld wisbordjes. Geef iedereen denktijd en laat leerlingen hun antwoord pas tonen wanneer jij het aangeeft. Laat leerlingen ook hun denkstappen verwoorden. Vraag niet alleen: “Wat is het antwoord?”, maar ook: “Hoe ben je aan dat antwoord gekomen?” Doe zelf voor hoe je rustig nadenkt en een antwoord controleert. Zo ondersteun je leerlingen bij het bewust uitvoeren van de stappen.
4. Controleren van begrip: metacognitie, flexibiliteit en werkgeheugen
Bij EDI controleer je regelmatig of leerlingen de uitleg begrijpen. Maar een goed antwoord betekent niet altijd dat een leerling de leerstof echt begrijpt. Sommige leerlingen geven het antwoord dat ze denken dat jij wil horen. Anderen kunnen één aangeleerde aanpak uitvoeren, maar lopen vast zodra de opdracht iets verandert. Tijdens deze fase spelen onder andere metacognitie, flexibiliteit en werkgeheugen een rol.
Wat kun je doen?
Stel vragen die leerlingen laten nadenken over hun aanpak. Bijvoorbeeld:
- “Waarom werkt deze manier?”
- “Kun je het ook op een andere manier oplossen?”
- “Hoe weet je dat je antwoord klopt?”
- “Wat zou er gebeuren als we deze stap veranderen?”
Laat verschillende oplossingsmanieren zien en bespreek de overeenkomsten en verschillen. Zo ontdek je niet alleen of leerlingen het juiste antwoord weten, maar ook hoe ze denken.
5. Verlengde instructie: emotieregulatie en taakinitiatie
Sommige leerlingen hebben na de eerste instructie extra uitleg nodig. Juist bij deze leerlingen kunnen emoties een rol gaan spelen. Misschien heeft een leerling al verschillende fouten gemaakt. De leerling zucht, schuift het werkboek weg of zegt: “Ik snap hier toch niets van.” Je ziet gedrag dat kan wijzen op frustratie. Maar je weet nog niet precies waardoor die frustratie ontstaat. Bij deze fase kunnen emotieregulatie en taakinitiatie een rol spelen.
Wat kun je doen?
Begin met een opdracht of stap die de leerling al beheerst. Bouw van daaruit verder en zorg voor kleine succeservaringen. Geef duidelijke, haalbare opdrachten en werk eventueel in korte blokken. Laat leerlingen merken wat al lukt. Zeg bijvoorbeeld: “Deze eerste stap heb je goed uitgevoerd. Nu gaan we samen kijken naar de volgende.” Zo help je leerlingen om opnieuw te beginnen en vertrouwen op te bouwen.
6. Zelfstandig verwerken: planning, organisatie, taakinitiatie en volgehouden aandacht
Na de instructie gaan leerlingen zelfstandig aan het werk. Voor sommige leerlingen is dat een lastige overgang. Tijdens de uitleg deden ze goed mee, maar zodra ze zelfstandig moeten beginnen, weten ze niet wat ze moeten doen. Of ze starten enthousiast, maar raken halverwege de opdracht de draad kwijt. Bij zelfstandig werken doen leerlingen een beroep op verschillende executieve functies: planning, organisatie, taakinitiatie en volgehouden aandacht.
Wat kun je doen?
Maak duidelijk wat leerlingen moeten doen, in welke volgorde en wanneer het werk klaar is. Gebruik bijvoorbeeld een kort stappenplan:
- Lees de opdracht.
- Kijk naar het voorbeeld.
- Maak de eerste drie opgaven.
- Controleer je antwoorden.
- Ga verder met de volgende opdrachten.
Je kunt ook een timer inzetten om de werktijd zichtbaar te maken.
Spreek daarnaast vaste momenten af waarop leerlingen hun voortgang controleren of hulp kunnen vragen. Zo geef je leerlingen structuur zonder dat je voortdurend naast hen hoeft te zitten.
7. Reflectie en terugblik: metacognitie en werkgeheugen
Aan het einde van de les blik je terug op het lesdoel. Wat hebben leerlingen geleerd? Wat lukt al? En wat vraagt nog extra oefening? Voor sommige leerlingen zijn dit lastige vragen. Ze antwoorden bijvoorbeeld met “goed”, “makkelijk” of “ik weet het niet”. Dat hoeft niet te betekenen dat ze niets geleerd hebben. Het kan ook lastig zijn om terug te halen wat ze hebben gedaan en daar woorden aan te geven. Hier spelen metacognitie en werkgeheugen een belangrijke rol.
Wat kun je doen?
Gebruik korte, gerichte reflectievragen of exit tickets. Laat leerlingen bijvoorbeeld deze zinnen afmaken:
- “Vandaag heb ik geleerd dat…”
- “Deze stap kan ik nu zelfstandig…”
- “Bij deze opdracht had ik nog hulp nodig…”
- “De volgende keer wil ik oefenen met…”
Laat leerlingen hun antwoorden koppelen aan het lesdoel en hun eigen werk. Geef daarbij specifieke positieve feedback op hun aanpak, inzet en groei. Zo help je leerlingen om bewuster naar hun eigen leerproces te kijken.
Kijk verder dan het gedrag dat je ziet
Een leerling die niet begint, heeft niet automatisch een probleem met taakinitiatie. Een leerling die door de uitleg heen praat, heeft niet automatisch moeite met reactie-inhibitie. En een leerling die afdwaalt, heeft niet automatisch een zwakke volgehouden aandacht.
Gedrag is wat je ziet. De verklaring voor dat gedrag moet je nog onderzoeken.
Misschien is de opdracht onduidelijk of is de leerstof te moeilijk. Misschien heeft de leerling meer voorkennis nodig. Of misschien vraagt de taak op dat moment te veel van een bepaalde executieve functie. Daarom is het belangrijk om eerst goed te observeren. Stel jezelf bijvoorbeeld deze drie vragen:
- Wat zie en hoor ik de leerling precies doen?
- Wat vraagt deze fase van de les van de leerling?
- Wat kan ik aanpassen aan mijn uitleg, de taak of de leeromgeving?
Zo voorkom je dat je te snel conclusies trekt over het gedrag van een leerling. En je ontdekt welke ondersteuning mogelijk helpt.
Executieve functies ondersteunen is niet hetzelfde als executieve functies trainen
Met de tips uit dit artikel ondersteun je leerlingen tijdens je EDI-les. Je maakt bijvoorbeeld een stappenplan zichtbaar, geeft extra denktijd of verdeelt een opdracht in kleinere stappen. Daarmee verlaag je de belasting op bepaalde executieve functies. Dat is waardevol, omdat leerlingen hierdoor beter kunnen deelnemen aan de les.
Maar er is een belangrijk verschil tussen een executieve functie ondersteunen en een executieve functie oefenen. Als je leerlingen een kant-en-klaar stappenplan geeft, ondersteun je hun planning. Wil je leerlingen ook leren om zelf te plannen? Dan kun je ze stap voor stap meer verantwoordelijkheid geven. Je kunt bijvoorbeeld eerst samen een stappenplan maken. Daarna laat je leerlingen zelf de stappen bedenken, terwijl jij nog ondersteuning biedt. Uiteindelijk kunnen ze oefenen met het zelfstandig plannen van een taak. Het doel is niet om alle ondersteuning zo snel mogelijk weg te halen. Het doel is dat leerlingen steeds beter leren welke aanpak hen helpt en hoe ze die kunnen gebruiken.
Gratis download: schema Executieve functies & EDI
Wil je tijdens het voorbereiden of geven van je lessen snel kunnen zien welke executieve functies een rol spelen? Dan is mijn schema Executieve functies & EDI een handig hulpmiddel. In dit overzicht vind je per onderdeel van EDI:
- De belangrijkste executieve functies die leerlingen gebruiken.
- Signaalgedrag dat je mogelijk bij leerlingen ziet.
- Concrete tips waarmee je leerlingen kunt ondersteunen.
Je kunt het schema gebruiken bij het voorbereiden van je lessen, tijdens het observeren van leerlingen of als gespreksstarter met collega’s.
Download hier gratis het schema Executieve functies & EDI.

Meer weten over executieve functies?
Wil je leerlingen niet alleen ondersteunen tijdens de instructie, maar ook bewuster werken aan hun executieve functies?
Op Juffrouw Femke vind je verschillende materialen waarmee je executieve functies bespreekbaar maakt en leerlingen laat oefenen met vaardigheden zoals plannen, organiseren, omgaan met emoties en nadenken over hun eigen aanpak.
Bekijk hier alle materialen over executieve functies.
🦉
Tot slot
EDI helpt je om je instructie duidelijk en doelgericht op te bouwen. Executieve functies helpen je begrijpen wat leerlingen nodig kunnen hebben om die instructie te volgen en ermee aan het werk te gaan. Door beide met elkaar te verbinden, kijk je niet alleen naar wat je leerlingen moeten leren, maar ook naar wat ze nodig hebben om tot leren te komen.




